EU & Syrië

Waar militair ingrijpen in Syrië tot voor kort een “no go” was, is met de aanval met chemische wapens op burgers een “rode lijn” overschreden; in ieder geval voor Amerika en de Europese landen.

Er zijn verschillende opties voor militair ingrijpen. Naast een NAVO of VN operatie, unilaterale interventies of optreden door ad hoc coalities, is er sinds 2003 ook de optie van een EU militaire operatie. Dat deze EU-optie tot stand kwam, heeft te maken met het falen van de Europese landen om iets te doen tijdens de oorlogen in Joegoslavië in de jaren ’90.

Het is de EU er veel aan gelegen niet nogmaals aan de zijlijn te staan bij wat misschien wel weer een “finest hour” zou kunnen zijn. Echter, optreden zonder een VN-resolutie die militair ingrijpen van internationale legitimatie voorziet brengt herinneringen boven aan het Irak-debacle.

De EU-landen staan voor een dilemma: hoe zwaar weegt internationale autorisatie ten opzichte van de Responsibility to Protect. Dit laatste principe maakt de soevereiniteit van een staat conditioneel op haar vermogen haar burgers te beschermen; soevereiniteit is een verantwoordelijkheid. Veel aandacht gaat uit naar wie de schuldige is van de inzet van chemische wapens. Hoe belangrijk ook, in beide gevallen kun je vraagtekens stellen bij het vermogen van de regering om haar burgers te beschermen. Daarom zou in beide gevallen een militaire inzet door de internationale gemeenschap met als doel de burgerbevolking tegen een mogelijk volgende chemische aanval te beschermen aan de orde kunnen zijn; uiteraard zou het wel van invloed zijn op de wijze van militaire inzet.

Opvallend is de terughoudendheid van de VS. Dit heeft niet alleen te maken met “lessons learned” van het recente verleden (Irak scenario) en onwil bij een meerderheid van de Amerikaanse burger . Het is ook de reflectie van de zogenaamde “pivot to Asia” van de VS; het strategisch belang van Azië is toegenomen voor de VS. De EU wordt geacht in haar eigen omgeving verantwoordelijkheid te nemen.

De vraag is of een EU-actie waarschijnlijk is. Ten eerste, er was al verdeeldheid over het wapenembargo in de EU. Daarnaast, de 8 militaire operaties die de EU tot nu toe heeft uitgevoerd en zeker de recentere, zijn niet op een geweldsspectrum die te vergelijken zou zijn met een actie in Syrië. Een NAVO-operatie zou in die zin meer voor de hand liggen, zeker nu Duitsland zich niet uitgesproken tegen militair ingrijpen keert, in tegenstelling tot Libië. Toen namen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk het voortouw.

Uiteindelijk wordt het conflict in Syrië niet opgelost met een militaire interventie; het gaat erom de strijdende partijen aan tafel te krijgen. Juist daar kan de EU een rol spelen.  Maar om die conditie te bereiken kan het nodig zijn om de partijen daar via een militair ingrijpen toe te dwingen. Echter, de risico’s daarvan mogen niet onderschat worden; het kan zelfs tot verdere escalatie leiden. Het lijkt zo’n kluwe van onoplosbare tegenstellingen en extreme posities dat er geen “makkelijke” oplossingen zijn.